Ablatie

Een ablatie is een interventie die wordt uitgevoerd om bepaalde hartritmestoornissen te behandelen. Het hartweefsel, dat de hartritmestoornis veroorzaakt, wordt vernietigt door met opzet kleine littekens te creëren. Men gaat de hartritmestoornis als het ware wegbranden. Doorgaans maken de elektrofysiologen van het hartcentrum gebruik van radiofrequente katheterablaties (verwarmen) of laserablaties. Een andere techniek die kan gebeuren zijn de cryoablaties (bevriezen).

 

 

De verschillende ablaties


We kunnen ablaties uitvoeren bij de volgende hartritmestoornissen:

  1. Voorkamerfibrillatie
  2. Voorkamerflutter
  3. Ventrikeltachycardie
  4. Atriale of supraventriculaire tachycardie

 

Ritmestoornissen

 

 

 

 

 

 

1. Ablatie bij voorkamerfibrillatie

De meest voorkomende ablatie is deze bij voorkamerfibrillatie (ook wel PVI genoemd). De ongewenste ‘extra’ prikkels zijn meestal afkomstig uit vier bloedvaatjes die van de longen naar de linker voorkamer lopen (= longvenen). Rond de ingang van deze vier bloedvaten zal de elektrofysioloog een litteken maken zodat de negatieve prikkels niet door kunnen. Ze worden als het ware ‘geïsoleerd’ van de rest van het hart. Het normale sinusritme, dat onderliggend altijd aanwezig was, is nu opnieuw het enige signaal in de voorkamers.

 

VKF ablatie Ritmestoornissen behandeling ablatie

 

Voorbereiding van de ablatie

Voor het innemen van uw medicatie is het belangrijk dat u het advies van uw behandelend cardioloog goed opvolgt. Het is aangewezen dat u vóór de ablatie (PVI) minstens gedurende vier weken antistollingsmedicatie inneemt. Voor het stoppen van deze bloedverdunning vóór de dag van de ablatie gelden de volgende richtlijnen:

richtlijnen antico

 

 

Tijdens uw hospitalisatie zal er een elektrocardiogram en zo nodig nog een bloedname gebeuren ter voorbereiding van de ablatie. Ook zal de liesregio geschoren worden om een goede ontsmetting mogelijk te maken. Er zal tevens een infuus geplaatst worden in de arm en u wordt voorzien van een monitor dat het hartritme op afstand volgt (= telemetrie).    

 

 

Verloop van de procedure

Op het cathlab zal de elektrofysioloog samen met gespecialiseerde verpleegkundigen de ablatie uitvoeren. Voor een ablatie moet u nuchter zijn en wordt u volledig in slaap gebracht. De ingreep kan namelijk pijnlijk zijn en duurt gemakkelijk enkele uren. Tijdens het onderzoek wordt u voortdurend gemonitord door middel van elektroden die uw hartritme opvolgen. Deze elektroden (klevers) worden van zodra u op de onderzoekstafel ligt op uw lichaam aangebracht. Deze worden met kabeltjes verbonden aan monitors (computerschermen) om de signalen van het hart in beeld te brengen. Daarna worden de liezen ontsmet en wordt u toegedekt met een steriel laken. Er is ook steeds een anesthesist aanwezig om ervoor te zorgen dat u in slaap blijft tijdens de procedure.

 

ablatie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Om aan het hart te geraken, worden er meerdere katheters (buigzame slangetjes) vanuit de lies via een ader (bloedvat) naar het hart opgeschoven. Met behulp van röntgenstralen kan de positie van de katheters worden weergegeven. Met deze katheters kan men de extra elektrische activiteit in het hart registreren en tegelijk wegbranden. Het aanbrengen van deze littekens kan door middel van radiofrequente katheterablatie of laserablatie. 

 

  • Radiofrequente katheterablatie

Bij de radiofrequente katheterablatie gebruikt men radiofrequentiegolven om heel precies kleine stukjes weefsel in het hart weg te branden (> 45°C). De littekentjes die uiteindelijk gevormd worden, zijn klein genoeg om de functie van het hart niet te verstoren maar zorgen er wel voor dat de negatieve prikkels tegen worden gehouden.

 

  • Laserablatie

De laserablatie is een nieuwe revolutionaire techniek voor het behandelen van voorkamerfibrillatie. Het Hartcentrum Hasselt is het eerste centrum in België dat deze nieuwe techniek aanbiedt. Dit unieke systeem met laserenergie bestaat uit een ballon die in het hart wordt gebracht via de lies. In de ballon bevindt zich een endoscoop die toelaat om rechtstreeks binnenin het kloppend hart te kijken. Deze techniek is efficiënter dan de klassieke behandeling waardoor de kans op een heringreep veel lager ligt. Daarnaast is de procedure eenvoudiger, sneller en veiliger.

We krijgen via de laserballon met endoscoop (als enige bestaande techniek) rechtstreeks zicht op de binnenkant van het hart waar de ablatie uitgevoerd wordt. De inwendige camera stelt ons in staat om doorheen de transparante ballon het te behandelen gebied  rechtstreeks te zien en om op de juiste plek heel nauwkeurig laserenergie af te leveren.

 

Na de procedure

Op het einde van het onderzoek worden de katheters uit de lies verwijderd. Afhankelijk van de situatie wordt de insteekplaats van het bloedvat manueel afgeduwd of wordt een z-steek geplaatst. Bij de z-steek brengt de dokter wat huid samen met behulp van een hechtingsdraad. Deze huidprop zorgt ervoor dat de insteekplaats in de lies voldoende wordt afgeduwd. Na een zestal uur zal deze hechting verwijderd worden. Bij het manueel afduwen wordt een drukverband aangebracht op de insteekplaats.

 

Na de procedure wordt u naar de recovery gebracht waar u ontwaakt. Eens u naar de kamer mag, wordt er gevraagd om de dag zelf in bed te blijven liggen zodat de wonde in uw lies kan genezen.

 

Bij aankomst op de verpleegafdeling wordt het hartritme nog opgevolgd via een monitor die met elektroden op de borstkast wordt bevestigd (= telemetrie). Wanneer men op voorhand verwacht dat de procedure langer duurt dan normaal, zal een blaassonde geplaatst worden. Deze wordt meestal dezelfde dag nog verwijderd wanneer u goed wakker bent.

 

De dag na de procedure wordt nog bloed afgenomen en een transthoracale echocardiografie (TTE) van het hart genomen. Bij de TTE kan men door middel van echobeelden bekijken of zich eventueel vocht heeft opgestapeld rond het hart na de procedure. Hier wordt ook een ECG afgenomen om te kijken of het hartritme normaal is. Indien er zich geen problemen voordoen kan u de dag na de procedure het ziekenhuis verlaten. Bij uw ontslag krijgt u een duidelijk medicatieschema mee alsook een afspraak voor een volgende raadpleging bij de cardioloog.

 

Om nabloeding in de lies te voorkomen wordt aangeraden gedurende één week geen zware inspanningen te verrichten zoals hardlopen, fietstochten maken, werken in de tuin of zware dingen heffen. Het is ook aangewezen dat u vervoer regelt naar huis aangezien de lies mogelijks nog kan nabloeden bij het besturen van de auto. Zo nodig zullen verzekeringspapieren of werkonbekwaamheidsattesten ingevuld worden bij uw ontslag.

 

Het vormen van de littekens gebeurt niet onmiddellijk. Hier gaan enkele weken over. Het kan dus zijn dat u nog steeds ritmestoornissen voelt maar dat de procedure uiteindelijk wel geslaagd is. Om deze reden is het nodig om een aantal weken de medicatie voor ritme en bloedverdunning verder in te nemen. Nadien beslist de cardioloog of de medicatie gestopt kan worden.

 

 

2. Voorkamerflutter

Bij voorkamerflutter is er sprake van een rondcirculerende stroom tussen de rechtervoorkamer en de rechterkamer. Deze cirkel wordt doorbroken tijdens de ablatieprocedure.

 

 

3. Ventrikeltachycardie

Bij ventrikeltachycardie ontstaat de hartritmestoornis op één vaste plek. Deze plek wordt uitgeschakeld tijdens de ablatieprocedure. In sommige gevallen, bijvoorbeeld wanneer de ritmestoornis het gevolg is van een hartinfarct, lopen er extra geleidende paden in het gebied dat aangetast is. Ook deze paden worden behandeld.

 

 

4. Atriale of supraventriculaire tachycardie

Bij een supraventriculaire tachycardie komt de hartritmestoornis ook uit de voorkamers van het hart. De extra prikkels komen uit de rechter voorkamer (atrioventriculaire nodale reentry tachycardie), tussen de voorkamer en de kamer (atrioventriculaire reentry tachycardie) of op een andere plaats dan de sinusknoop (atriale tachycardie).

 

Om de juiste plaats van de kortsluiting te lokaliseren, dient de elektrofysioloog zo nodig eerst medicatie toe of gebruikt hij elektrische impulsen om de ritmestoornis op te wekken. Daarom is het belangrijk dat voor deze procedure sommige anti-aritmica 3 tot 5 dagen voor de geplande ablatie worden gestopt. Anti-aritmica onderdrukken immers de hartritmestoornis dat de elektrofysioloog wil vinden tijdens deze ablatie. U krijgt hierover richtlijnen mee van uw cardioloog. Na de procedure mag u de avond zelf of de ochtend nadien het ziekenhuis verlaten.

 

 

Risico's


Een ablatie is een relatief eenvoudige ingreep die weinig risico inhoudt. De meest voorkomende complicaties zijn:

  • Bloeduitstorting in de lies (1-2%): Hiervoor kan pijnstilling onder de vorm van paracetamol (bvb Dafalgan®) genomen worden. Een bloeduitstorting geneest meestal vanzelf binnen enkele weken. In zeldzame gevallen is het nodig om in het ziekenhuis een trombine-injectie uit te voeren dat een bloedstolsel vormt op de plaats van de bloedende ader.
  • Prikkeling van het hartvlies (pericarditis) (<1%): Na de procedure komt bij sommige patiënten een lichte pijn op de borst voor die verergert bij inademen of bij bepaalde houdingen. Hiervoor mag u pijnstillers zoals Paracetamol (Dafalgan®) innemen. Indien de pijn hiermee niet betert, neemt u best contact op met uw huisarts of de verpleegafdeling.
  • Perforatie met harttamponade (bloedopstapeling onder het hartvlies) (<1%): Op dat moment moet er onder het borstbeen geprikt worden om het bloed weg te halen. In zeer zeldzame gevallen moet het bloed door de chirurg verwijderd worden. 
  • Beschadiging van het eigen geleidingssysteem waardoor de implantatie van een pacemaker noodzakelijk kan zijn (<1%).
  • In zeldzame gevallen kan een herseninfarct optreden ten gevolge van de vorming van een bloedklonter in het hart
  • In zeldzame gevallen kan er een perforatie optreden naar de slokdarm met ontsteking van het mediastinum (mediastinitis). Om dit te voorkomen is er een permanente monitoring van de temperatuur in de slokdarm tijdens de procedure.
  • Er bestaat ook altijd een kleine kans op een allergische reactie op toegediende medicatie tijdens uw opname.

 

 

Slaagkansen


De slaagkansen van een ablatie zijn nooit 100%. Het is namelijk mogelijk dat de ritmestoornis zich een nieuwe baan zoekt doorheen het hartweefsel. De slaagkansen verschillen ook tussen de verschillende soorten ablaties. Zo liggen de slaagkansen van een ablatie voor voorkamerfibrillatie en ventrikel tachycardie ongeveer op 80%. Bij 20% van de patiënten die een PVI ondergaan komt er terug een opening in de geableerde cirkel. Door deze opening kunnen negatieve elektrische prikkels terug VKF doen ontstaan.  Hierdoor is er bij 20% van de patiënten mogelijks een tweede ingreep nodig. Bij een flutterablatie en bij supraventriculaire tachycardie is de slaagkans hoger, namelijk meer dan 90%. Enkele weken na de procedure komt u terug op raadpleging en wordt er beslist of een tweede procedure noodzakelijk is.

 

 

Elektrofysiologen