ICD implantatie

Een inwendige defibrillator of ICD (Implanteerbare Cardioverter Defibrillator) is een speciaal soort hartstimulator dat wordt geïmplanteerd bij mensen die lijden aan levensgevaarlijke ritmestoornissen zoals kamerfibrillatie. Wanneer het toestel deze ritmestoornis detecteert, reageert het met een afgifte van een elektrische schok, waardoor het hart weer naar zijn normale ritme terugkeert. Net als een pacemaker is het een klein schijfvormig metalen toestelletje, met één of meerdere elektroden (een soort van kabels). In het toestel zit er een batterij die gedurende verschillende jaren in staat is om elektrische impulsen te geven. Als deze batterij leeg is, dient er een nieuwe ICD geimplanteerd te worden. De electroden kunnen doorgaans blijven zitten waardoor deze procedure veel sneller en eenvoudiger is dan de eerste implantatie. De arts kan bij elke controle van het toestel de levensduur ervan opvolgen.

shutterstock_576434ICD zonder electroden

 

 

Werking van een ICD


Bij een zeer snelle kamertachycardie en bij kamerfibrilleren trekken de kamers niet meer samen. De bloedsomloop ligt dan stil en het lichaam krijgt geen zuurstof meer. U wordt duizelig en verliest het bewustzijn. Dan is er sprake van een hartstilstand. Een ICD reageert bij een levensbedreigende ritmestoornis van de kamers vrijwel onmiddellijk. Wanneer de ICD een abnormaal snel of chaotisch kamerritme signaleert, dan geeft het apparaat binnen 15 seconden een schok. Indien nodig wordt dit met tussenpozen van 10 tot 15 seconden herhaald. Meestal is het hartritme na 1 of 2 schokken weer normaal.

 

Als de ritmestoornis in de kamers niet levensbedreigend is, probeert de ICD het hartritme met kleinere elektrische prikkels te herstellen. Als de stoornis daar niet op reageert of erger wordt, geeft de ICD alsnog een schok. 

 

Als u nog bij bewustzijn bent, voelt u de schok als een flinke klap op de borst of als een elektrische schok die u krijgt als u een draad vastpakt waar stroom op staat. U voelt de ritmestoornis niet aankomen. Soms zijn er vooraf klachten zoals duizeligheid of hartkloppingen. Dit duurt enkele seconden. De arts zal het toestel zo instellen dat enkel een schok gegeven wordt als dat echt noodzakelijk is. De ICD treedt ook in werking bij een te trage hartslag (bradycardie). Hij werkt dan als een normale pacemaker.

De werking van de ICD is mogelijk via de elektroden die in het hart zitten en die signalen detecteren en impulsen kunnen afgeven. Er zijn 4 type ICD's die een elektrofysioloog kan implanteren, afhankelijk van de indicatie.

  1. Eénkamer ICD: dit type ICD heeft slechts 1 elektrode die contact maakt met de rechtervoorkamerwand. Deze defibrillator wordt geplaatst als er een risico bestaat op levensbedreigende snelle ritmestoornissen, maar er geen trage hartritmes aanwezig zijn.
  2. Tweekamer ICD: hierbij zijn er twee elektrodes. Eén in de rechterkamer en één in de rechtervoorkamer. Deze defibrillatoren worden gebruikt bij mensen bij wie er naast levensbedreigende snelle ritmestoornissen ook trage hartritmes aanwezig zijn.
  3. Biventriculaire ICD: bij deze ICD is er nog een derde elektrode in de afvoerader van het hart, die naar de linkerzijde loopt om de linkerkamer te stimuleren. Dit type defibrillator wordt geïmplanteerd bij sommige mensen die naast levensbedreigende snelle ritmestoornissen ook gekend zijn met hartfalen. Bij een bepaald type van hartfalen trekken linker- en rechterhartkamer niet meer synchroon samen, zodat de pompwerking van het hart verslechtert. De pacemakerfunctie in de biventriculaire defibrillator geeft gelijktijdig een prikkel af aan de linker- en rechterkamer, zodat deze weer synchroon samentrekken, en de pompfunctie van het hart verbetert. Een biventriculaire ICD wordt ook wel een CRT-D genoemd (Cardiale Resynchronisatie Therapie).
  4. Subcutane ICD: dit is een relatief nieuwe ICD. Bij deze ICD wordt er geen elektrode in of op het hart geplaatst, maar wordt de elektrode onder de huid aan de linkerkant van de borstkas vastgemaakt.Een aantal verwikkelingen die kunnen voorkomen bij een traditionele defibrillator (zoals klaplong of beschadiging van de vaat- en hartwand) kunnen bij een S-ICD niet meer optreden.

 

shutterstock_90181147 Typen ICD

 

 

Verloop van de ingreep


Voor een defibrillator implantatie wordt u opgenomen op de afdeling cardiologie. Voor de ingreep is het nodig dat u nuchter bent. Tijdens de ingreep wordt uw hartritme voortdurend gemonitord. De plaatsing van een defibrillator gebeurt onder algemene verdoving en duurt 1 tot 2 uur. Als een derde elektrode moet geplaatst worden, duurt de ingreep 2 tot 3 uur.

 

Tijdens de ingreep wordt de defibrillator onder de huid boven de linkerborstspier geïmplanteerd. De huid onder het sleutelbeen wordt over ongeveer 5 cm ingesneden. Onder de huid wordt een ruimte gemaakt die een pocket wordt genoemd. De defibrillator past precies in deze pocket. Via de sleutelbeenader wordt (worden) de elektrode(n) naar het hart gebracht. Als de elektrode(n) goed geplaatst is (zijn) en als ook gecontroleerd is of de defibrillator goed werkt, wordt de pocket met hechtingsdraad gesloten. Tijdens de operatie voert de arts een testen uit om te kijken of de elektroden op de goede plek zitten en of de defibrillator de ritmestoornis herkent. Hij wekt hiervoor kunstmatig een hartritmestoornis op. Bij een goede werking van de defibrillator zal deze dan een schok afleveren die de ritmestoornis stopt.

 

 

Risico's


De implantatie van een defibrillator kent weinig risico’s. De zeldzame complicaties die soms optreden zijn:

  • Klaplong: dit wordt gecontroleerd met een röntgenfoto
  • Infectie: neem contact op met uw cardioloog als de wond rood, dik en/of pijnlijk wordt of als er pus of bloed uit komt. Zelden ontstaat een infectie pas enkele jaren na de implantatie.
  • Soms gebeurt het dat de wonde nabloedt. Dat wordt tegengegaan door druk uit te oefenen op de wonde met een zandzakje of ijszakje.
  • In de eerste weken na de implantatie kan het voorkomen dat de elektroden zich verplaatsen. Daar voelt u zelf meestal niets van. Bij uw volgende controle wordt dit gezien.

 

 

Na de procedure


Na het plaatsen van een defibrillator gaat u eerst naar de recovery tot u volledig wakker bent. Daarna wordt u terug naar uw kamer gebracht. U dient 1 of 2 nachten in het ziekenhuis te blijven ter observatie. De dag van de implantatie wordt er gevraagd om in uw bed te blijven. Op de operatiewonden plaats de verpleegkundige een zandzak gedurende enkele uren om een bloeduitstorting te voorkomen. Het is belangrijk dat u de arm de eerste 6 weken niet boven schouderhoogte heft. Dit om een verplaatsing van de elektrode(n) te voorkomen.

 

De dag na de operatie wordt er een elektrocardiogram en een RX van de borstkas genomen om na te gaan of de elektroden nog op hun plaats zitten. De cardioloog zal ook de werking van uw ICD optimaal afstellen tijdens uw opname.

 

Periodieke controle via de gespecialiseerde ICD raadpleging is nodig om de goede werking van de defibrillator te blijven garanderen. Doorgaans komt u 2x/jaar op controle. Het is nu bij veel ICD's mogelijk dat de patiënt een monitor mee naar huis krijgt. Deze monitor stuurt gegevens uit de ICD via een telefoonverbinding naar het ziekenhuis. De patiënt hoeft dan minder vaak naar het ziekenhuis om de ICD te laten controleren.

 

Bel altijd de cardioloog als:

  • de ICD een schok heeft afgegeven
  • u merkt dat u een ernstige ritmestoornis heeft
  • als u (even) buiten bewustzijn bent geraakt
  • de ICD piept om aan te geven dat de batterijen opraken
  • er ontstekingsverschijnselen zijn op de borst of buik (rode en opgezwollen huid)

 

 

Leven met een defibrillator


Zodra u thuis bent, breekt een periode van wennen aan. De meeste patiënten geven aan dat zij na ongeveer een half jaar aan de pacemaker of defibrillator gewend zijn. Meestal verloopt dat zonder problemen, maar er zijn wel enkele zaken waar u rekening mee kunt houden. Tot een paar maanden na de operatie is het verstandig om voorzichtig te zijn met extreme bewegingen en een overmaat aan inspanningen.

 

Mensen met een defibrillator kunnen vrijwel elk beroep uitoefenen. Er zijn enkele uitzonderingen: werken met een radar, werken in een omgeving met zeer krachtige elektrische of magnetische velden vb. zendmasten, lasser. Personenvervoer of bezoldigd vrachtvervoer (rijbewijs C) is evenmin toegestaan.

U kunt alle ontspannende sporten doen. Dat is trouwens goed. U mag ook zwemmen, het water kan uw pacemaker of defibrillator niet beschadigen. Ruwe contactsporten kunt u best vermijden. Voor activiteiten waarbij het lichaam voortdurend schokken krijgt (vb. paardrijden), vraagt u best het advies van uw behandelende arts.

Voor meer informatie over het leven met een defibrillator kunt u onderaan de brochure raadplegen.

 

 

Elektrofysiologen


 

 

Downloads